
Maandag 31 augustus komen we als Junggroep weer bij elkaar. Drie uren spreken we met elkaar, zes mensen, over tien pagina’s uit het Rode Boek. We hebben de tekst allemaal voor ons zelf gelezen. Een van ons lees de tekst hardop voor. Dat is altijd bijzonder omdat de tekst op een andere manier binnenkomt. Deze bladzijden gaan over het niet kunnen verdragen dat ik niets ben. Als Jung het over het ik heeft dan doelt hij op het ego, op alles waarmee we ons hebben geïdentificeerd.
In 1934 schreef Carl Gustav Jung in de vertaling van Hans Huisman: “Wie in de spiegel van het water blikt, ziet beslist als eerste zijn eigen afbeelding. Wie naar zichzelf toegaat riskeert de ontmoeting met zichzelf. De spiegel huichelt niet, die laat getrouw zien wat erin kijkt, namelijk dat gezicht , dat wij de wereld nooit laten zien, omdat wij door de persona, het masker van de toneelspeler verhullen.
Dit is het eerste bewijs van moed op de innerlijke weg, een test die volstaat om de meesten af te schrikken, want de confrontatie met zichzelf behoort tot de meer onaangename dingen die men uit de weg gaat, zolang men alles wat negatief is op de omgeving kan projecteren.
Is men in staat de eigen schaduw te zien en de kennis inzake de schaduw te verdragen, dan is eerst een klein stukje van de opgave opgelost: men heeft tenminste het persoonlijk onbewuste aan de oppervlakte gebracht”.
Ruim eerst je eigen rommel op zo lees ik Jung, daar heb je je handen vol aan. En verderop in het Rode Boek vind ik de zin Liefde echter is: jezelf dragen en verdragen. Daar begint alles mee. Ik heb nog wel een weg te gaan. Maar wat een vreugde om dat samen te doen.